“Ik probeerde de last van mijn schuld te verlichten door in stilte voor haar te lijden. Niemand vroeg mij om die last te dragen, en niemand kon haar mij afnemen. Maar ik bleef haar torsen, omdat ik mijzelf veroordeeld had en het vonnis dagelijks moest uitvoeren.”
– Camus, De Val

Het gaat als volgt. Je hebt iets stoms gedaan. Heel veel dingen stom gedaan, en je bent daardoor veel verloren. Je vriendin bijvoorbeeld, ik zeg maar wat. Vervolgens zie je het als je levensdoel om deze fout te herstellen. Door nooit meer alcohol te drinken, ik zeg maar wat. Je levensdoel is nog zo sterk en vers dat er geen twijfel in je hoofd mogelijk is dat je ooit van dit levensdoel af zal wijken. Het is allesoverheersend en er gaat geen gedachte voorbij zonder aan het doel te denken. Tien-, twintigduizend keer per dag hetzelfde denken. Wat zou ze aan het doen zijn? Wat zou ze over me denken? Wat als ze me ziet? Wat als ze een nieuwe vriend heeft? Wat als het verkeerd met haar gaat? Wat als ze pijn heeft? Wat als ze niet getroost kan worden? Wat als het leven haar tegenstaat? Wat als ze zichzelf verliest? Wat als ze het niet aankan? Ik moet paraat staan en op elk moment een goede actie kiezen. Klaar staan om de fout recht te zetten.
Stel je voor, je hebt geen contact met haar. Ze wil je niet zien. Ik zeg maar wat, ze heeft een schijthekel aan je voor wat je gedaan hebt. Of ik zeg maar wat anders, want ik heb geen idee wat er in haar hoofd omgaat. Stel je krijgt geen bevestiging van haar of je de goede weg bewandelt. Dan moet je het in jezelf zoeken. Maar je levensdoel was bij háár de fout herstellen. Dan ga je twijfelen aan je levensdoel, maar je kan ook niet zeker zijn dat het niet het goede levensdoel is, want je wandelt alleen de al bewandelde paden in je hoofd met dezelfde vragen die niet voor een antwoord zullen zorgen wanneer die vriendin dit niet laat blijken.
Dwangpad 1: Wat je dan doet is krampachtig op zoek gaan naar die bevestiging. En dan ga je haar dus proberen tegen te komen. Dus ik zeg maar wat, dan loop je net effe dat extra rondje waar jullie wel eens liepen, ook al heb je al genoeg stappen gezet. Dan wandel je graag in het bos, want dan ben je in ieder geval buiten waar je gezien kan worden door haar. Dan kijk je de volgende zes maanden naar elk klein grijs autootje die zij ook had. Dan kijk je naar elke slanke, blonde, mooie vrouw die voorbijkomt. Monitoren. In onrust. Tijdens dat je dit doet, vergeet je echter geen moment dwangpad 2.
Dwangpad 2: Wat je dan ook doet is luisteren naar wat ze je gevraagd heeft: 1. Haar met rust laten en 2. Aan je herstel werken. Dus dan ga je juist expres de plekken vermijden die associaties met jullie oproepen. Het café aan de haven bijvoorbeeld. Want straks denkt ze dat je haar niet met rust laat of erger, dat je weer naar de fles hebt gegrepen. Je gaat minder met oude vrienden om en probeert nieuwe manieren te vinden om te leven. Tijdens dat je deze dingen doet, voer je secuur dwangpad 1 uit.
Combineer deze twee dwangpaden van bevestiging en vermijding en je hebt een voor mij nieuwe staat van zijn gecreëerd. Spooktrouw, niet aan haar, niet aan jezelf. Aan iets dat nergens geschreven staat, maar dat je toch elke dag opnieuw overschrijft door het te doen. Een brief zonder ontvanger. En misschien is dat het wel, dat ik nooit antwoord zal krijgen of dat het wel is. Niet dat ik ooit weet of ik nog iets rechtzet. Omdat ik op een of andere kromme manier besloten heb dat het telt, ook als niemand het ziet.
